Watergate_complex

Watergate, het oer-‘gate’, dat in 1972 leidde tot de val Nixon (foto Wikipedia)

Kunnen we ophouden met overal het suffix ‘-gate’ achter te plaatsen? Het was een spontane maar rake reactie van een van mijn volgers op Twitter. Aanleiding was een tweet van me over het bochtig parcours van mobiliteitsminister Jacqueline Galant (MR) en haar advocatenfacturen. De dame in kwestie heeft een punt. Eerst Marghemgate en nu Galantgate. En zo ook voor de perikelen in de autosector: achtereenvolgens Volkswagengate, Dieselgate en nu blijkbaar ook Benzinegate (DM 5/11).

De inflatie aan ‘gates’ getuigt niet meteen van buitengewone creativiteit. Dus bij deze, noot aan mezelf, mijn collega’s, onze persmedewerkers én de eindredacties: laten we spaarzaam omspringen met het schandaalsuffix. Dat het suffix heden ten dage zo populair is, is echter niet onlogisch. De fratsen van bepaalde ministers zijn niet meteen promotie voor de politieke stiel. Slecht nieuws voor zij die volop in deze stiel geloven en daar ook mensen voor willen warm maken.

Voor wie het zeker vervelende tijden zijn, is de consument, in het bijzonder voor de meest bewuste onder hen. Dan heb ik het over de recente, schijnbaar onophoudelijke stroom aan berichtgeving over het misleiden en bedotten van de consument, van hij of zij die in de supermarkt probeert (zo) gewetensvol (mogelijk) keuzes te maken. Het lijkt elke dag wel iets: van de uitstoot van auto’s over de energielabels van koelkasten tot samenstelling van het potje 100 gram américain préparé. Altijd blijken producenten iets achter te houden, vaak is er gesjoemeld - ook al zo’n woord dat sterk opgang maakt.

Aan de vooravond van de klimaatconferentie in Parijs is dat slecht nieuws. Niet dat de consument op zijn eentje het klimaat moet redden. Maar wanneer de consument zijn vertrouwen verliest in de (milieu)informatie van producten wordt het erg moeilijk om groene en juiste keuzes in de winkel te mainstreamen. Volgende week start in de Kamer een bijzondere commissie over Dieselgate - we moeten nog een nieuwe naam bedenken. Zoals we de dioxinecrisis hebben gebruikt als momentum, moeten we dat ook nu doen.
Eén iets zal in de oplossingen centraal moeten staan: transparantie. In een samenleving van steeds mondigere burgers zullen bedrijven radicaal de kaart moeten trekken van openheid. Tot op de euro en de gram. Op het etiket en op het wereldwijde net. Alleen wie vrij snel die stap zet, zal de consument nog echt weten te overtuigen.

Die uitdaging is er trouwens niet alleen voor bedrijven. Ook voor de politieke stiel stelt die zich heel scherp. Zijn facturen van de overheid niet gewoon vrij toegankelijk, vroeg een leeftijdsgenoot me - ook al op Twitter - naar aanleiding van de discussie over Galant. Neen, het is nog te vaak trekken en sleuren voor volledige openheid. Burgers, parlementsleden of media die van zich laten horen, worden nog te vaak weggezet als lastpakken.
Die top-downstijl zal op korte termijn onhoudbaar blijken. Onze rol als politicus zullen we moeten heruitvinden. Binnen enkele jaren is totale transparantie de norm. Als verkozen politici zullen we steeds meer een regisseursrol moeten opnemen: halftijds beslissen, halftijds besluitvorming faciliteren. Wil je die switch niet maken, dan is het een kwestie van tijd voor je als politicus verplicht wordt om ander werk te gaan zoeken.
Voor het woord van 2015 is er dus nog discussie tussen ‘…-gate’ en ‘sjoemel-…’. Afwachten welke van de twee het haalt. Voor 2016 hoop ik dat we de verkiezing nu al kunnen beslechten: transparantie. Niet als tijdelijk modewoord, wel als aankondiging van een nieuw tijdperk in de politieke en de economische wereld.

Share This