”We zitten op ons tandvlees.” Aldus Jan Verschooten, adjunct-commissaris van het Federaal Planbureau, deze week in de Kamercommissie Sociale Zaken tijdens een hoorzitting over het jobrapport van de federale regering. De uitspraak was de aanleiding voor een stevig incident. 

Het Federaal Planbureau maakt voor het parlement en de regering regelmatig studies over economische, sociale en milieubeleidskwesties.
Deze week was het een studie over de impact van het regeerakkoord. Het bilan van de oefening in 2018 - áls deze regering de finish haalt - was niet zo fraai. Het gezinsinkomen daalt met 1,2 procent en het aantal extra jobs blijft beperkt tot 10.900. Geen 200.000, 80.000 of 60.000 zoals werd aangekondigd. 

De studie berekende immers ook de impact van de besparingen. Die besparingen en de stijgende levensduurte maken slachtoffers. Niet alleen in de publieke sector maar ook in de privé aangezien de koopkracht van gezinnen en burgers wel degelijk wordt aangetast.
Die conclusie kon de meerderheid maar matig appreciëren. Onvolledig, eenzijdig, we hebben meer studies nodig, klonk het plots eensgezind. 

Niet erg correct ten aanzien van het Planbureau, dat tracht objectieve inschattingen en projecties te maken. En daarop volgde dus hét incident.
”We verliezen 10 procent van onze dotatie, we hebben tien vacatures moeten intrekken en ik kan de volgende vier jaar geen enkele vertrekker vervangen. Maar jullie vragen ons wel om ook het effect van de gewestelijke beslissingen te berekenen”, zei een verontwaardigde Verschooten. Enige menselijkheid is zelfs de beste rekenaars niet vreemd. 

De meerderheidspartijen namen het de ambtenaar in kwestie erg kwalijk. Toegegeven: het is wat ongebruikelijk, zo’n uitspraak tijdens een hoorzitting in het parlement. Maar het is wel begrijpelijk als je de context kent.
Er zijn heel wat verhalen gelijkaardig aan dat van het Planbureau. Er zijn heel wat Jan Verschootens, functionarissen die er in onze publieke instellingen het beste van willen maken maar geconfronteerd worden met de impact van de besparingen die ondertussen al enkele jaren volgehouden worden doorgevoerd. 

Kijk alleen nog maar naar het lijstje van de voorbije weken: overheidsdiensten die hun facturen niet kunnen betalen, alarmkreten vanuit justitie en defensie, besparingen op veiligheidsdiensten die net versterkt moeten worden.
De politieke elite hangt ook zowat permanent een eenzijdig beeld op van de publieke sector. Ruimte zat om te snijden, dat beeld wordt subtiel en minder subtiel gevoed. Niet erg motiverend voor onze civil servants. 

Heb je de laatste jaren één minister gehoord die het echt opnam voor zijn ambtenaren? Ik sprak onlangs nog een gemotiveerde topambtenaar, een innovator. Heel zeldzaam zijn blijkbaar de ministers die bij hun aantreden een bezoekje brengen aan al hun diensten. Al jaren wordt gepraat over beheersovereenkomsten, contracten tussen politiek en administratie, om te zorgen voor meer autonomie én meer verantwoording. 

Als budgetten inzake ICT en innovatie drastisch worden ingeperkt, wordt het moeilijk om beter en efficiënter te werken. We hebben voor het eerst een minister bevoegd voor digitalisering. Maar het federaal ICT-budget krimpt met 22 procent. Anno 2015 besparen we op ICT. Om te kunnen besparen moet je net het omgekeerde doen. En opnieuw zijn het gros van de besparingen lineair. 

Ik ben geen etatist. De overheid is geen doel op zich, altijd een middel. Niet meer overheid, maar betere overheid.

(deze column verscheen in De Morgen van 6 februari 2015 – foto:Phil Whitehouse)

Share This