Het KVHV was één van de thema’s van het duo-interview met mijn collega-columnist Joachim Pohlmann een tijdje terug (DM 14/10). Of hij ook zo’n klak droeg in zijn studententijd, en dat dat natuurlijk zo was. Een kwestie van traditie, aldus de collega-zalm. Lintjes, petten en uniformen, ik geef toe: ik ben daar niet zo’n fan van.

Het heeft iets van een verkleedfeest. Wie mij kent, weet dat ik daar een hekel aan heb. Het is een trauma van carnaval op de lagere school - jaar na jaar hetzelfde lelijke indianenpak. Maar elk zijn ding. Wie houdt van lintjes, petten, uniformen of verkleedfeestjes moet zich voor mij niet inhouden.

Wat publiciteit betreft, kan het KVHV de laatste tijd niet klagen. De katholiek-conservatieve studentenclub is uitgegroeid tot de hofleverancier van de regeringen. Gisteren haalden de jonkies van het Vlaams-nationalisme het vragenuurtje in de Kamer.

Aanleiding waren de opmerkelijke uitspraken van vicepremier Jan Jambon (N-VA) op één van hun bijeenkomsten. Anders dan in het parlement liet hij daar verstaan dat er al een akkoord zou zijn over de herziening van de grondwet. Aan een bevriende studentenkring vertelt Jambon meer dan aan de Kamer, waar het thema tevergeefs al meermaals is aangekaart.

Dat er een akkoord is over artikel 195, weet eigenlijk iedereen. Elke regering heeft haar Atoma-schriftjes en deze keer is dat met een hoofdstuk grondwet. Andere uitspraken van Jambon hebben me veel meer gestoord. “Ik ben nu een Belgische vicepremier. Dat wil ik eigenlijk helemaal niet zijn. Is het dit allemaal wel waard? Die vraag houdt mij elke dag bezig”, aldus Jambon bij de achterban.

Hij is blijkbaar ietwat tegen zijn zin vicepremier in een federale regering. Nochtans heeft niemand hem verplicht. De Belgische vlaggen op zijn kabinet zijn verbannen naar de kelder. De ontmoetingen met de koning vindt hij gênant. Dat denkt hij niet alleen. Dat zegt hij dus ook vrank en vrij. Het toont nog maar eens aan dat N-VA zich nooit volop zal engageren voor het federale beleidsniveau. Het zijn en blijven in de eerste plaats Vlaams-nationalisten. Hun politieke project draait om taal en identiteit. Alles staat in functie daarvan, ook een deelname aan een federale regering.

Maar dat is eigenlijk geen nieuws. Jambon is een Vlaams-nationalist en dat zal niet veranderen. Nu hij vicepremier is,

moet hij niet plots elke ochtend de Brabançonne oefenen. Hij moet zich zelfs geen Belg voelen. Hij hoeft niet luidkeels voor de Rode Duivels te supporteren.

Toch zijn zulke verklaringen problematisch. Het is alsof een groene minister van Energie een gesprek met de nucleaire sector zou weigeren of een socialist aangeeft eigenlijk een hekel te hebben aan vergaderingen met het VBO. Een vicepremier kan zich zulke uitspraken niet permitteren.

Want een regering is geen studentenclub, een vicepremier geen praeses. Studentikoos nationalisme bestaat niet als je minister bent. Bij een dergelijk mandaat horen verwachtingen en verplichtingen. Die moet je respecteren. Van zo’n mandaathouder mogen mensen verwachten dat hij eenieders symbolen respecteert.

N-VA blijft zeer uitgesproken de symbolenstrijd voeren, geholpen door een te assertieve PS die ook de communautaire kaart trekt. Dat het KVHV veel aandacht krijgt, is dus normaal. Het zit immers in de regering. En net daardoor klinkt de cantus van Michel-Jambon van bij de start behoorlijk vals en chaotisch. Echt veel samenzang hebben we van deze regering nog niet gezien.

(Deze column verscheen op 28/11/2014 in De Morgen, in de wisselcolumn Pohlmann & Calvo)

Share This