Twee debatten domineerden de voorbije week het politieke nieuws: euthanasie
voor minderjarigen en de Oosterweelverbinding. Erg opvallend was het verschil in
parlementaire behandeling. Terwijl in de Kamer individuele parlementsleden vrij
het woord namen over euthanasie, deed de meerderheid in het Vlaams Parlement er
op hetzelfde moment alles aan om het Oosterweeldebat zo snel mogelijk af te
haspelen. In het euthanasiedebat waren er zelfs Kamerleden die met collega's uit
de eigen fractie in dialoog gingen.

In het Vlaams Parlement zagen we één
fractieleider die sprak namens de hele meerderheid. Alsof een christendemocraat,
een Vlaams-nationalist en een socialist hetzelfde denken over mobiliteit. Via
een tussen drie partijen in een achterkamer onderhandelde tekst, zo kreeg de
publieke opinie inzicht in de mening van hun volksvertegenwoordigers over de
mobiliteitsknoop rond Antwerpen. Terwijl rond euthanasie erg fundamentele
argumenten sereen werden uitgewisseld, werd in het Oosterweeldebat gegoocheld
met cijfers en studies. En die cijfers moesten niet juist zijn, als ze maar
assertief genoeg werden gebracht.

Voor mij was het euthanasiedebat een van de
meest waardevolle debatten sinds mijn intrede in de Kamer. Ik heb interessante
argumenten gehoord, zowel van de voorstanders als van de tegenstanders. En ook
daarvoor zit ik in het parlement, om iets te leren, te luisteren en in dialoog
te gaan. Niet alleen maar om zelf te spreken, of te applaudisseren voor
gelijkgezinden. Vanzelfsprekend verschillen beide dossiers fundamenteel van
aard, maar het is wel interessant om beide debatten even met elkaar te
vergelijken. Twee gezichten van onze democratie zijn het: vrijuit spreken versus
verplicht zwijgen, empathie versus dovemansgesprek, overtuigen versus
overroepen.

Verstikkende partijdiscipline

Inderdaad, voor ethische dossiers is er de traditie van de individuele keuze
voor elk parlementslid. En inderdaad, het we-mogen-niets-zeggen-debat inzake
Oosterweel is ook wel een extreem voorbeeld. Toch lijkt het doorsnee
parlementair debat meer op dat van Oosterweel dan op dat van euthanasie. “Ik kan
me geen toespraak herinneren die echt het doel had te overtuigen, hoewel ik er
tientallen heb gehoord waarin braaf de speerpunten van de partij werden
opgedreund”, zegt Michael Ignatieff, voormalig Canadees presidentskandidaat, in
zijn spraakmakend boek over politiek en democratie Vuur en as. Een analyse over
het Lagerhuis in Ottawa, maar een die evenzeer opgaat voor onze parlementen.

Zo
waardevol de individuele vrijheid in ethische dossiers wordt geacht, zo
vanzelfsprekend vindt men de verstikkende partijdiscipline in andere debatten.
Dat hoeft zo vanzelfsprekend niet te zijn. Het moet onze ambitie zijn om het
anders te doen. Zeker van de jongste generatie parlementsleden. Om onze
parlementen vrijer, rijker en boeiender te maken. Met parlementsleden weer meer
als vertegenwoordigers van mensen dan van hun partij. Het 'parlementaire
gesprek' heruitvinden hoeft niet tot chaos, verdeeldheid of onbestuurbaarheid te
leiden. De kunst van het compromis mag immers best centraal staan in dat
parlementaire debat. Het is geen pleidooi om steevast terug te plooien op het
eigen grote gelijk. De wereld hangt trouwens aan elkaar van de compromissen. Op
elke werkvloer, in elke vereniging, bij elke organisatie, overal worden er
voortdurend compromissen gesloten. Alleen in de politiek is een compromis een
scheldwoord.

Een pleidooi voor flauwe debatten, halfslachtige keuzes, voor
fulltime christendemocratie? Absoluut niet, ons land heeft nood aan grondige
hervormingen, duidelijke keuzes. Maar veel erger dan de afgesloten compromissen
is het gênante bochtenwerk erover op de parlementaire tribunes. Tussen
'rotslecht' en 'fantastisch' ligt veel ruimte voor nuance en dus ook voor stevig
parlementair debat. Veel beter zou zijn om compromissen uit te leggen in plaats
van ze krampachtig te claimen als de zoveelste grote partijpolitieke
overwinning. Die openheid zou al een mooi begin zijn van een beter en rijker
parlementair debat. Het zou ook getuigen van meer respect voor de burger. Want
die weet heus wel hoe de vork in de steel zit.

Supermondigheid

Meer vrijheid voor individuele parlementsleden is trouwens een kwestie van
tijd. In deze tijden van hypertransparantie, supermondigheid en individuele
opiniëring (onder andere via sociale media) is het op relatief korte termijn
onvermijdelijk. Tenminste als we de representatieve democratie beschouwen als
een noodzakelijke bouwsteen van een levendige democratie, en daar ga ik vanuit.
(Ja, we hebben meer directe en deliberatieve democratie nodig, maar dat is wat
mij betreft complementair aan vertegenwoordigende structuren.)

Meer
parlementaire vrijheid is ook onvermijdelijk als we nog nieuwe, jonge mensen,
sterke persoonlijkheden willen warm maken voor de politieke stiel. De dag dat
burgers de indruk hebben dat ze zelf meer te zeggen hebben dan hun
vertegenwoordigers, verdwijnt het draagvlak voor de vertegenwoordiging en wil er
niemand nog de rol opnemen van vertegenwoordiger. En dat kan toch niet de
bedoeling zijn?

Deze vrije tribune is verschenen op 19 februari 2014 in De Morgen.

Share This