Voor de verkopers van tricolore vlaggen zijn er weer hoogdagen op komst. De blijde intredes van het nieuwe koningspaar brengen aardig wat volk op de been en ze verlopen vlot - of toch minder stroef en houterig dan werd gevreesd. En vooral, onze Rode Duivels staan op een zucht van eindelijk nog eens een wereldkampioenschap.

Hier en daar zie je de verleiding om het succes van de Rode Duivels aan te grijpen voor politiek gewin. Vincent Kompany als belangrijkste tegenspeler van de N-VA. Wat we zelf niet kunnen, vragen we aan Vincent, zie je sommige politieke krokodillen denken.

Die fout mogen we niet maken. Politici houden best een beetje afstand van het voetbal. Het spelletje is te mooi om te instrumentaliseren. Toch moeten we ook iets leren van onze jonge Duivels, ook politiek en maatschappelijk.

De Duivelshype is iets nieuws, een dynamiek die het sportgebeuren overstijgt. Offensief, verbindend, complexloos en divers zijn onze voetbalhelden. Niet alleen in hun voetbalspel, maar ook in hun Belg-zijn, in de manier waarop ze voor hun land spelen en spreken. Het zijn de (klein)kinderen van een migratiesamenleving, waar meertaligheid en veelkleurigheid een feit is. Ze zijn misschien wel onze belangrijkste straathoekwerkers. Aan de jongens en meisjes in onze grootsteden, op de pleintjes en in de overbevolkte klasjes, vaak op zoek naar houvast en perspectief, vertellen zij al voetballend: in dit land is veel mogelijk.

Het taboe België

Nog belangrijker dan de resultaten is de spiegel die de Duivels ons als land aanreiken: een trotse generatie die elkaars huidskleur allang vergeten is. Ze zijn fiere ambassadeurs van het België dat hen kansen heeft gegeven. Wat een schril contrast met de dames en heren politici, die met toegeknepen billen communiceren over datzelfde België.

Want politiek België is stilaan te gecrispeerd om het nog over België te hebben. In Vlaanderen is een soort gêne ontstaan, een angst om versleten te worden voor Belgicist of nostalgicus. België is stilaan een taboe, terwijl het voor heel wat landgenoten nog altijd een belangrijke bouwsteen is voor hun - zij het gelaagde - identiteit. Misschien is dat wel de grootste prijs die we betalen voor verkiezingen en peilingen die zwart-geel kleuren. We laten ons een eenzijdige Vlaamse identiteit opdringen, terwijl de realiteit zoveel rijker en genuanceerder is. En die tendens is niet onschuldig. Het kleurt het denken in politieke middens op vlak van onderwijs, diversiteit en cultuur.

Het België-gevoel bij Franstalige politici is dan weer vaak behoudsgezind en berekend. Zelfs premier Di Rupo heeft het op de parlementaire bühne vaker over Vlamingen, Walen en Brusselaars dan over Belgen. België verdwijnt uit de politieke speeches. Het is hoogstens een defensief verhaal. De boel nog even bij elkaar houden lijkt het mantra. Of het is een zaak van efficiëntie: de sociale zekerheid, defensie, buitenlands beleid, enzovoort.

Onze Rode Duivels daarentegen belichamen offensief het nieuwe België. Ze staan voor een moderne belgitude, waar we ook politiek mee aan de slag moeten. Niet het Belgique à Papa van Maurice Lippens en Etienne Davignon, maar een jeugdig, progressief en ambitieus België. Het is iets spontaans, iets emotioneels en complexloos. ‘Ik voel me goed als Belg en de pot op met mensen die dat niet oké vinden’. Je vindt het nu bij Kompany, maar ook bij Stromae en de broertjes Borlée. Open, inclusief en zelfs een beetje speels, is deze belgitude het antivirus voor een smal en gesloten centennationalisme. Verbinden in plaats van verdelen. Met een knipoog in plaats van een vermanend vingertje.

De moderne belgitude is ook niet een soort van een hoogdravend kosmopolitisme. De belgitude laat net de keuze en de openheid voor eenieders hoogstpersoonlijke identiteit. Je kunt je ergens goed bij voelen en deel van verschillende gemeenschappen tegelijk. Je stad én Vlaanderen, of je dorp én België, of Vlaanderen én België, waarom zou dat niet kunnen? Kiezen tussen België en Vlaanderen is passé, zowel naar identiteit als institutioneel.

Als wij in de wereld iets willen betekenen, zowel cultureel als economisch, moeten we gaan voor dát België, voor net die benadering van identiteit. Want dát België inspireert. En het maakt school tot ver buiten onze landsgrenzen. Tot spijt van wie het benijdt. Het debat over dit land wordt heel erg rationeel gevoerd. Het gaat over structuren en over geld. Maar een land is niet louter rede. Gevoel en gemeenschapsvorming is evenzeer belangrijk. Het is een noodzakelijke emotionele dimensie van burgerschap. Zonder wij-gevoel geen vooruitgang.

De bonte verzameling mensen die België vandaag is, is tot veel in staat. Maar dan moeten ook in de Wetstraat rolmodellen opstaan, fier, ambitieus en assertief. Liefst meer dan één. Maar een inspirerende premier zou alvast een goed begin zijn.

Share This