Toen ik twee jaar geleden eerder toevallig het thema energie op mijn bord
kreeg, dacht ik nog dat 'de nucleaire lobby' iets was van de vorige eeuw. Iets
dat toch vooral leefde in groene kringen omdat het nu eenmaal goed klinkt.
Vandaag weet ik beter. De brede nucleaire industrie heeft een totaal andere
bedrijfscultuur dan elke andere economische sector. Die nucleaire cultuur van
relatief dichtbij kunnen volgen is eigenlijk fascinerend. En het volgen ervan is
in elk geval bijzonder relevant om beslissingen en tendensen te analyseren.

Evident is die analyse nooit neutraal. Maar eenieder stelt vast dat er op vlak
van nucleaire technologie heel wat is veranderd. 'The sky is the limit. We gaan
te veel energie hebben', was het credo tijdens de jaren vijftig en zestig.
Wetenschappers waren in de ban van de atoomontwikkelingen (logisch). En Walt
Disney toverde die sfeer op het witte doek: Our Friend the Atom, een film over
de oneindige voordelen van atoomenergie, destijds in de VS verplichte kost op
school voor de babyboomgeneratie.

Ondertussen behoort het ongebreidelde nucleair
optimisme definitief tot het verleden. Spijtige gebeurtenissen zoals de
nucleaire rampen in Tsjernobyl en Fukushima hebben gezorgd voor vraagtekens. Nog
steeds zoekt men (tevergeefs) naar een oplossing voor de berging van het
langlevend nucleair afval. Onflexibele kerncentrales zijn dan ook nog eens
moeilijk te verzoenen met de uitbouw van hernieuwbare energie, een bron van
welvaart in steeds meer landen. In een samenleving die duurzaamheid steeds hoger
in het vaandel draagt, wegen zulke argumenten nu eenmaal zwaarder.

Maar als de
nucleaire industrie vandaag klappen krijgt, heeft dat niet alleen te maken met
de technologische argumenten. De nucleaire industrie heeft haar geleidelijke
nederlaag ook aan zichzelf te danken: aan haar arrogante, wereldvreemde
bedrijfscultuur, aan haar onvermogen om zich aan te passen aan een veranderende
wereld. Waarden zoals transparantie en verantwoording staan in de missies van de
exploitanten en de controleorganen. Maar in de praktijk zien we al te vaak het
tegendeel. Dan is het rekenen op gelekte mails of rapporten.

In de nucleaire
sector, zowel de private als de publieke takken, leeft eerder een stevige hekel
aan kritische media, ijverige parlementsleden of assertieve ngo's. 'Wij zijn
wetenschappers met een missie: het volk voorzien van stroom. Laat ons werken
zoals we dat decennia hebben kunnen doen', zie je ze dan denken. Bij wijze van
voorbeeld: als ondergetekende 'fanmail' krijgt uit nucleaire hoek, wordt die
vaak ondertekend met de ingenieurstitel en het afstudeerjaar. Niet zelden met
het vriendelijke verzoek om mij 'als politieke wetenschapper' niet in te laten
met het energiedossier. Zulke kritiek is vaak zeer ideologisch en emotioneel.
Het is een opmerkelijke paradox: zich beroepen op de wetenschap, maar eigenlijk
minstens zo ideologisch uit de hoek komen als een old school activist.

Versta me
niet verkeerd: we hebben ook in de nucleaire sector briljante ingenieurs en dat
is maar goed ook. Evident staat er ook een nieuwe generatie op en zijn er
bekeerlingen. Maar het waarheidsdenken van de 'nucleaire specialisten' is wel
opvallend en de gevolgen ervan zijn verstrekkend. Het bestendigt een cultuur van
geslotenheid en geheimhouding. Waar komt die vandaan? Vele factoren spelen een
rol: het ontstaan van de civiele nucleaire technologie vanuit de militaire
industrie, het vooruitgangsoptimisme van de beginjaren en het jarenlang
tolereren van die cultuur door de klassieke partijen in dit land.

Geheimhouding wordt in onze samenleving genadeloos afgestraft. Dus de
nucleaire industrie kan zich maar beter bezinnen. Strategisch advies van een
Groen-politicus voor de nucleaire sector? De winstcijfers van Electrabel kunnen
me eerlijk gezegd gestolen worden. En de populariteit van de FANC-directeurs
(Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle) houdt me nu ook niet echt bezig.
Maar of we dat nu willen of niet, we zullen in dit land nog lange tijd
geconfronteerd worden met nucleaire activiteiten. Volgens de huidige wet op de
kernuitstap is er nucleaire productie tot 2025. Dan start de ontmanteling en er
is de berging van het afval. Er zijn ook nog het Studiecentrum voor Kernenergie
(SCK) en de medische nucleaire industrie zoals in Fleurus.

Het culturele aspect
zou daarom deel moeten uitmaken van een bredere doorlichting van het
beleidskader inzake nucleaire veiligheid onder impuls van een
regeringscommissaris. Voor de werking van het FANC zijn alvast enkele
aanbevelingen te formuleren. Op dit moment heeft het FANC enkel een
Wetenschappelijke Raad. Om de verantwoording uit te breiden zou daarnaast een
Maatschappelijke Raad kunnen komen, samengesteld uit vertegenwoordigers van
diverse maatschappelijke actoren (universiteit, ngo's, etc.). Zij zouden met een
andere blik de werking van het agentschap evalueren.

De nieuwe
directeur-generaal, de opvolger van de bijna gepensioneerde Willy De Roovere,
moet ook een ander profiel hebben: geen ex-directeur van een kerncentrale wiens
nucleaire overtuiging toch nog altijd opvalt. De nieuwe FANC-directeur moet in
de eerste plaats een civil servant zijn, iemand die heel goed weet wat nucleaire
veiligheid anno 2012 betekent en bereid is daarover verantwoording af te leggen.
Het is vloeken in de kerk, en eigenlijk ook wel een beetje provoceren, maar
misschien is de tijd wel rijp voor een socioloog aan het hoofd van ons nucleair
controleagentschap?

Deze opiniebijdrage verscheen op 18 augustus in De Morgen.

Share This