Deze week presenteerde het Federaal Planbureau het Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling 2011. Werden onderzocht in het rapport: 25 sleutelindicatoren, 80 maatregelen en 11 thema's. Het rapport illustreert perfect het Belgisch instrumentarium inzake duurzame ontwikkeling: exhaustief en oerdegelijk, ondersteund door slimme koppen in adviesraden en administraties. Maar het is zo onzichtbaar, helemaal overgegeven aan de technocratie, aan de logica van wetten, Koninklijke Besluiten en omzendbrieven. Luc Coenes rapporten houden de Wetstraat wekenlang in de ban, maar de rapportage inzake duurzame ontwikkeling is leesvoer voorbehouden voor doctorandi en studiemedewerkers van de milieubeweging. Zo keren we de tanker niet.

Duurzame ontwikkeling is een werk van elke dag, maar het concept flirt vandaag eerder met de politieke marginaliteit. In 1992 vond in Rio de Janeiro de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling plaats. In juni vindt de top Rio+20 plaats. Als we onze planeet niet verder om zeep willen helpen, moet die verjaardag een trendbreuk inluiden, een vernieuwing en een rationalisering van het instrumentarium. Duurzame ontwikkeling moet daarbij een smoel krijgen: harder, concreter, transversaler, politieker en meer oplossingsgericht worden.

Vandaag is vicepremier Steven Vanackere (CD&V) bevoegd voor duurzame ontwikkeling. Vanackere moet de strijd niet alleen aangaan. Hij zou kunnen worden bijgestaan door een ombudspersoon voor de toekomstige generaties. Hongarije heeft zo'n ombudspersoon en de World Future Council is ook vragende partij voor een dergelijke figuur op de diverse beleidsniveaus. Dat toekomstige generaties vandaag geen stem hebben, zorgt voor een structurele blinde vlek in de democratische besluitvorming. Een ombudspersoon kan een tegengewicht bieden voor die Zukunftvergessenheit.

Het hoeft geen nieuwe superstructuur te zijn. Er moet vooral een morele kracht vanuit gaan. Hij of zij moet lawaai maken. De wildgroei aan instrumenten en raden heeft onvoldoende gewerkt. Met een ombudspersoon gooien we het over een andere boeg. De ombudsdienst zou in ons land interfederaal georganiseerd kunnen worden. Zo hebben alle regeringen in dit land in één keer een waakhond, graag één die mag en durft bijten in het belang van de toekomstige generaties.

Een andere fundamentele hervorming zou de introductie zijn van een nieuwe welvaartsmeter, het Bruto Nationaal Product (bnp), maar dan groen en sociaal, naar voorbeeld van de ISEW, Index of Sustainable Economic Welfare. Het bnp meet vandaag economische groei, maar zonder rekening te houden met milieuschade en perverse sociale effecten. Het herdefiniëren van welvaart en ontwikkeling is meer dan ooit aan de orde. En dan hebben we meer aan één indicator die de hele waarheid vertelt dan aan een oneindige lijst van parameters verspreid over rapporten en instellingen.

Met vicepremier Steven Vanackere is voor het eerst een lid van de Kern verantwoordelijk voor duurzame ontwikkeling. Dat biedt perspectieven. We kunnen eindelijk de administratieve test op elke regeringsbeslissing, de DOEB (duurzame-ontwikkelingseffectbeoordeling), inruilen voor een wandelende DOEB, voor een minister die keuzes elke dag opnieuw op hun groene en sociale merites beoordeelt. Voorlopig heeft de ACW-vice die rol niet opgenomen. De klassieke tripartite bespaart immers op de NMBS en op vlak van energiebesparende maatregelen.

“Het mag niet beperkt blijven tot plannen alleen, we moeten de woorden omzetten in daden”, was Vanackeres conclusie bij het Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling. Het is dus uitkijken naar de resultaten van de begrotingscontrole. Duurzaam ontwikkelen vereist duurzaam begroten. De ombudspersoon is er nog niet dus de vicepremier moetdie rol spelen.

Dit opiniestuk verscheen op 17 februari in De Morgen.

Share This