In een studie over de energieprijzen maakt de energieregulator Creg brandhout
van het energiebeleid van de afgelopen jaren. Vergeleken met onze buurlanden
worden onze gezinnen en Kmo's geconfronteerd met te hoge energieprijzen. De
totaalprijs die de residentiële verbruiker betaalt voor zijn elektriciteit is
veel hoger dan in Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Een gemiddeld gezin
betaalt voor elektriciteit 756 euro per jaar. Enkel een Duits gezin moet meer
ophoesten. Voor de gasprijzen krijgen we een gelijkaardig plaatje. Enkel in
Nederland betaalt een residentiële gebruiker een hogere eindprijs dan bij
ons.

Hoe is het zover kunnen komen? De politieke
verantwoordelijken van de jongste jaren misten visie en postuur. Bovendien
worden energiebeslissingen in dit land nog afgestemd op de machtscentra van de
vorige eeuw: de gemeenten, Suez-Electrabel en hun grootste klanten.
Burgemeesters willen hoge dividenden van de distributienetbeheerders voor nieuwe
pleinen, sporthallen en cultuurcentra. Een donderspeech van Gérard Mestrallet op
de receptie van een zakenkrant volstaat voor de traditionele partijen om de
nucleaire bijdrage met 250 miljoen te verlagen ten opzichte van hun eigen
wetsvoorstellen.

De advocaten van Suez bezorgen de ministers
meer angstzweet dan een algemene staking. En die advocaten dragen lang niet
altijd een toga. Door de interessante tarieven voor de grote energiegebruikers
geniet Electrabel de steun van de Belgische industrie. Zo is er het consortium
Blue Sky. Electrabel, GDF-Suez, en zes grote ondernemingen (Aperam, Arcelor
Mittal, Aurubis Belgium, Sol Feluy, Solvay en Umicore) hebben zich daarin
verenigd. De bedrijven krijgen niet toevallig voordelige trekkingsrechten in
Doel 1, Doel 2 en Tihange 1. Wie zal zich met man en macht verzetten tegen de
sluiting van de oudste kerncentrales of een hogere nucleaire taks, denkt u?
Inderdaad, die zes grote en mondige ondernemingen met goede contacten in de
Wetstraat.

Advocaten van de consument

De Creg
daarentegen werpt zich op als de advocaat van de consument en de nieuwe
marktspelers. Niet toevallig vraagt de energieregulator duidelijkheid over de
kernuitstap en een hogere bijdrage van de nucleaire sector. ‘De nucleaire
bijdrage dient opgetrokken te worden tot 1,2 miljard voor 2012 en in de verdere
toekomst dient het systeem bestendigd en versterkt te worden tot concurrentie
mogelijk is', luidt het op pagina 11 van de studie bij de belangrijkste
aanbevelingen.

Ook Groen en Ecolo leggen de lat op een taks
van 1,2 miljard, een noodzakelijke maatregel in het kader van de
begrotingscontrole. Suez-woordvoerders relativeerden vorige week trouwens zelf
de impact van de bijdrage van 550 miljoen. Dankzij de fiscale aftrekbaarheid en
de trekkingsrechten van onder andere de Blue Sky-klanten komt het voor hen neer
op een bijdrage van 250 miljoen netto, een fractie van de nucleaire
woekerwinsten.

Maar de hoge elektriciteitsprijzen kennen vele
oorzaken. Ze worden ook verklaard door de nettarieven en de vele toeslagen en
heffingen. De pistes om daar iets te doen komen vaak genoeg aan bod in de
diverse parlementen. Nu is het zaak om knopen door te hakken. Met beperktere
marges en een slimmere ondersteuning van groene stroom houden we de
distributienettarieven voortaan wel in de hand. De Elia-tarieven kunnen ook
gedrukt worden: door Elia een beperkte eigen productiecapaciteit voor hun
reserves te gunnen en de toeslagen voor de windmolenparken op de Noordzee te
financieren met de nucleaire taks in plaats van via de factuur.

De nucleaire taks kan ook geïnvesteerd worden in
capaciteitsvergoedingen voor Steg-centrales, zodat die rendabeler en minder duur
worden. En we kunnen het niet over prijsbeperking hebben zonder te verwijzen
naar het potentieel aan energiebesparing, eigenlijk de enige manier om
energiefacturen structureel, sociaal en ecologisch te drukken. Energie wordt
immers nooit meer goedkoop. Daar hoeft men niet populistisch over te doen. Een
blik op de leeftijdspiramide van de Belgische elektriciteitscentrales leert ons
dat er flink geïnvesteerd zal moeten worden.

Wetten, geen
deals

Een ander energiebeleid voeren gaat in essentie ook over
ethiek, democratie en transparantie. ‘Moi, mon instrument c'est la loi, et non
pas le deal', zei staatssecretaris voor Energie Olivier Deleuze (Ecolo) bij zijn
aantreden in de zomer van 1999. Meer dan tien jaar later is dat nog steeds de
vraag, een vraag over de rol van verkozen politici in een globale markteconomie
met sterke en sluwe spelers. Is de politiek nog in staat om multinationale
ondernemingen in de pas te laten lopen? Laten we de geld- en lobbymachines uit
Parijs hun ding doen of moeten ze functioneren met respect voor de consumenten
en Kmo's?

Ook de regionale regeringen krijgen huiswerk van
de energieregulator. Maar de Creg-studie is toch vooral een nieuwe wake up call
voor Di Rupo I. In plaats van te speculeren over een indexsprong moet de
klassieke tripartite de strijd tegen de energie-inflatie opvoeren.
Energieprijzen bepalen immers de competitiviteit en koopkracht en dus ook de
politieke toekomst van de index. Het lot van de index ligt in de handen van
Johan Vande Lanotte, de echte minister van Energie in deze regering. Ofwel geeft
hij het startschot van een nieuw energietijdperk, ofwel geeft hij de
rechterzijde in de regering de wind in de zeilen in haar strijd tegen de
index.

Deze opiniebijdrage verscheen op 13 februari in De Standaard.

Share This