De nieuwe regering is nog niet geïnstalleerd of de lijken van de oude vallen al uit de kast. Vorige week kwam aan het licht hoe creatief kernenergie-exploitanten Electrabel en SPE-Luminus omspringen met hun engagement uit 2009 om 250 miljoen euro te investeren in hernieuwbare energie. Ze nemen een loopje met de gemaakte afspraken. Nu vraagt Energieminister Magnette alsnog 230 miljoen euro via de programmawet, maar het is afwachten of die bijdrage er daadwerkelijk komt. Electrabel is de afgesloten voorakkoorden immers niet vergeten: een nieuwe bijdrage enkel in ruil voor het langer openhouden van de kerncentrales.
 

“Had ik maar een duidelijke wet voor het afromen van de nucleaire rente uitgewerkt”, moet Magnette toch al vaak gedacht hebben. Dat deed hij helaas niet. Samen met toenmalig premier Herman Van Rompuy sloot hij wel op 12 oktober 2009 een herenakkoord met de top van Electrabel-Suez. Vier pagina’s, vier handtekeningen en 215 à 245 miljoen euro volstonden voor een langere levensduur van Doel 1 & 2 en Tihange 1, de drie oudste kernreactoren.
 
Door de val van de regering is het statuut van dat protocol evenwel onduidelijk.

Het gemarchandeer in de Belgische energiesector roept terecht heel wat vragen op, bijvoorbeeld bij de Europese Commissie. Helaas is die aanpak niet nieuw. Deals, pacten en conventies vormen een rode draad door de Belgische energiegeschiedenis, al van bij het grote pacificatiepact in 1955, zeg het maar het Schoolpact van de elektriciteitssector. Toen werd ondermeer het Controlecomité opgericht, de voorganger van de energiewaakhond CREG. Niet bij wet (dat gebeurde pas in de jaren ‘80), wel bij conventie met als leden de sector, de vakbonden en het patronaat. De regering had slechts een waarnemende rol.
 

Gedurende decennia besliste het Controlecomité onder impuls van de sector over (sociale) tarieven, investeringen en dienstverplichtingen, vanaf 1963 ook voor de gassector. Het comité beschikte over een piepkleine staf, maar dat was geen probleem. De voorbereidingen gebeurden immers door de sector zelf. Kortom, het was een heerlijke tijd voor de monopolist, met impliciete steun van de Wetstraat.
 

De overeenkomsten van Magnette en Van Rompuy schrijven zich in die traditie in: de Belgische energieziekte. Het contrast met de manier waarop de geviseerde kernuitstap tot stand is gekomen is groot. De uitstap is namelijk geregeld via een wet, gestemd door een parlementaire meerderheid na een intens maatschappelijk en politiek debat. Zoals het hoort dus. Tussen de eerste bespreking op regeringsniveau en de uiteindelijke goedkeuring in de Kamer zat bijna een jaar tijd. Alleen al in de Kamer werden negen commissievergaderingen gewijd aan de bespreking van de wet. Het eindrapport, 229 bladzijden dik, is vandaag nog steeds een referentiedocument voor al wie geboeid is door de energieproblematiek.
 

De architect van de uitstap, toenmalig Staatssecretaris voor Energie Olivier Deleuze (Ecolo), hield er dan ook een andere benadering op na dan huidig Energieminister Paul Magnette. Bij zijn aantreden in de zomer van 1999 liet Deleuze optekenen “Moi, mon instrument c’est la loi, et non pas le deal”. Meer dan tien jaar later is dat nog steeds dé vraag. Een zeer fundamentele vraag, omdat het gaat over de rol van verkozen politici in een globale markteconomie met sterke en sluwe spelers. 

Het energiebeleid confronteert de Belgische politieke klasse met een grote uitdaging. Is de politiek nog in staat om multinationale ondernemingen in de pas te laten lopen? Laten we de geld- en lobbymachines uit Parijs hun ding doen of moeten ze functioneren met respect voor de noden van consumenten en KMO’s? Kan en wil politiek België zijn rol als regisseur van het economische weefsel nog opnemen? Net zo belangrijk dan de eigenlijke keuzes op vlak van energie, is de manier waarop we als politici energiekeuzes maken en ze vorm geven. De manier waarop zal de uiteindelijke beslissing immers beïnvloeden.
 

Het gaat de komende jaren in de Belgische energiepolitiek dus niet alleen om vergroening en bevoorradingszekerheid, maar ook om democratie en transparantie. De volgende federale regering en haar Energieminister staan voor een belangrijk dilemma. Ofwel kiezen ze voor energiepolitiek oude stijl en dus voor deals met de historische verdelers, ofwel maken ze in alle openheid duidelijke wetgevende keuzes. Dat laatste is geen keuze tegen het bedrijfsleven, integendeel. 

De nieuwe spelers op de energiemarkt zullen de nieuwe huisstijl verwelkomen. Vraag maar eens na bij Essent, dat net door “het onzeker investeringsklimaat” een investering van 400 miljoen euro in een gascentrale uitstelde. Bij de investeerders in de windmolenparken op zee zal je een gelijkaardig antwoord krijgen. Wie kiest voor een nieuwe stijl van energiepolitiek, kiest immers voor een eerlijke marktwerking zonder structurele concurrentienadelen en met duidelijkheid over de keuzes op korte en lange termijn.

In de praktijk gaat het bijvoorbeeld om het versterken van de CREG als energieregulator, het echt afromen van de onrechtmatige miljardenwinst van Electrabel dankzij de afgeschreven kerncentrales (geschat op 1,7 à 1,9 miljard) en het stopzetten van oneconomische steunmechanismen voor de nucleaire sector. Deals met het old boys network of wetten voor oude en nieuwe partners, dat is dus de vraag voor de komende jaren.

Share This